| Theologische bespiegelingen: 'Beter dan God' |
Natuurlijke wetmatigheden pakken altijd ten nadele uit van de mens. Dagelijks worden we ermee geconfronteerd: fietsbanden die wel leeglopen, maar nooit vol; afvoerpijpen die dicht gaan zitten, terwijl dichte afvoerpijpen nooit uit zichzelf opengaan; geveegde stoepen die wel vanzelf smerig worden, maar smerige stoepen nooit vanzelf weer schoon en meer van dat fraais. Nu heb ik eens na zitten nadenken over de vraag: ‘wie zit hier achter?’ En ik denk dat ik het weet. Volgens mij is het God. Die gebruikt de natuur om ons het leven zo zuur mogelijk te maken. En dat doet hij uit pure kift. Omdat wij iets kunnen wat Hij niet kan. God mag dan mirakels kunnen scheppen, maar wat je er dan verder mee aan moet, weet Hij niet.
Hij slaagt er niet in om iets te scheppen en er een functie aan mee te geven. En dat is het verschil met ons. Als wij iets maken, heb je er ook iets aan. God schept bijvoorbeeld een paard. Dat krijgt Hij dan ook nog aan de praat, maar verder moet het arme dier het maar uitzoeken. Wíj verzinnen er vervolgens een zadel bij met een hoofdstel en een bit, en hupsakee, rijden maar. Chaos te land, ter lucht en in de zee, dat is het kenmerk van Gods schepping. Alles huppelt, zwemt of vliegt maar wat in het rond zonder ook maar het geringste idee waarheen of waarom. Het probleem zit hem voor God hierin, dat Hij niet planmatig kan denken. Want dat hoeft niet in de hemel. Daar geldt de wet van de eeuwigheid. Daar kun je geen kalender op maken. De mens heeft noodgedwongen wél geleerd om planmatig te denken om dat God ons het paradijs heeft uitgetrapt en sterfelijk gemaakt. Wij hebben in plaats van de eeuwigheid maar een jaar of tachtig voor de boeg. Dat betekent dat je na gaat denken over tijdbesparing. Als je elke dag een paar uur moet lopen om aan de kost te komen, en je ziet dan telkens een paard voorbij rennen, dan denk je al snel: ‘daar ga ik op zitten’. Vervolgens duurt het niet lang of er wordt een kar achter het dier gehangen. En weer iets later monteren we een motor op die kar en rijden we overal naar toe zónder paard. Tot verbijstering van God. Je ziet aan de hele schepping dat God over functionaliteit nooit ook maar één seconde heeft nagedacht. Na zes dagen scheppen gooit Hij het bijltje erbij neer in de veronderstelling dat het helemaal goed is. Maar géén infrastructuur: geen weg, geen spoor, geen kanaal. Wij scheppen een elektrisch scheerapparaat terwijl Hij zich moet behelpen met een scherpe steen. Uit nutteloos zand toveren we een wijnglas. Dat drinkt toch lekkerder dan zo’n harige zak waar ze het daarboven mee moeten doen. Het kan niet anders of dit stoort Hem mateloos. Wij zijn zíjn schepping. En we steken Hem naar de kroon. Op alle fronten. Als je daar dagelijks mee geconfronteerd wordt, dan kan het niet anders of je raakt diep gefrustreerd. Niets menselijks is Hem vreemd. En wat doe je dan als je wilt laten zien wie er echt de baas is? Precies. Alles naar de Filistijnen helpen.
|
VIDEO: Zeehondjes zijn lui
(Met dank aan www.d-tv.nl)
Natuurlijke wetmatigheden pakken altijd ten nadele uit van de mens. Dagelijks worden we ermee geconfronteerd: fietsbanden die wel leeglopen, maar nooit vol; afvoerpijpen die dicht gaan zitten, terwijl dichte afvoerpijpen nooit uit zichzelf opengaan; geveegde stoepen die wel vanzelf smerig worden, maar smerige stoepen nooit vanzelf weer schoon en meer van dat fraais. Nu heb ik eens na zitten nadenken over de vraag: ‘wie zit hier achter?’ En ik denk dat ik het weet. Volgens mij is het God. Die gebruikt de natuur om ons het leven zo zuur mogelijk te maken. En dat doet hij uit pure kift. Omdat wij iets kunnen wat Hij niet kan. God mag dan mirakels kunnen scheppen, maar wat je er dan verder mee aan moet, weet Hij niet.
Hij slaagt er niet in om iets te scheppen en er een functie aan mee te geven. En dat is het verschil met ons. Als wij iets maken, heb je er ook iets aan. God schept bijvoorbeeld een paard. Dat krijgt Hij dan ook nog aan de praat, maar verder moet het arme dier het maar uitzoeken. Wíj verzinnen er vervolgens een zadel bij met een hoofdstel en een bit, en hupsakee, rijden maar. Chaos te land, ter lucht en in de zee, dat is het kenmerk van Gods schepping. Alles huppelt, zwemt of vliegt maar wat in het rond zonder ook maar het geringste idee waarheen of waarom. Het probleem zit hem voor God hierin, dat Hij niet planmatig kan denken. Want dat hoeft niet in de hemel. Daar geldt de wet van de eeuwigheid. Daar kun je geen kalender op maken. De mens heeft noodgedwongen wél geleerd om planmatig te denken om dat God ons het paradijs heeft uitgetrapt en sterfelijk gemaakt. Wij hebben in plaats van de eeuwigheid maar een jaar of tachtig voor de boeg. Dat betekent dat je na gaat denken over tijdbesparing. Als je elke dag een paar uur moet lopen om aan de kost te komen, en je ziet dan telkens een paard voorbij rennen, dan denk je al snel: ‘daar ga ik op zitten’. Vervolgens duurt het niet lang of er wordt een kar achter het dier gehangen. En weer iets later monteren we een motor op die kar en rijden we overal naar toe zónder paard. Tot verbijstering van God. Je ziet aan de hele schepping dat God over functionaliteit nooit ook maar één seconde heeft nagedacht. Na zes dagen scheppen gooit Hij het bijltje erbij neer in de veronderstelling dat het helemaal goed is. Maar géén infrastructuur: geen weg, geen spoor, geen kanaal. Wij scheppen een elektrisch scheerapparaat terwijl Hij zich moet behelpen met een scherpe steen. Uit nutteloos zand toveren we een wijnglas. Dat drinkt toch lekkerder dan zo’n harige zak waar ze het daarboven mee moeten doen. Het kan niet anders of dit stoort Hem mateloos. Wij zijn zíjn schepping. En we steken Hem naar de kroon. Op alle fronten. Als je daar dagelijks mee geconfronteerd wordt, dan kan het niet anders of je raakt diep gefrustreerd. Niets menselijks is Hem vreemd. En wat doe je dan als je wilt laten zien wie er echt de baas is? Precies. Alles naar de Filistijnen helpen.