| Dromen of sterven |
|
Lees de bijbel of een ander goed geschiedenisboek en u zult constateren dat al vanaf het begin der schepping de mensheid in gevecht is met de elementen. Na tienduizenden jaren knokken voor lijfsbehoud weten we wat voor kwaad de afzonderlijke elementen aanrichten. We kennen de puinhoop na een aardbeving, de desastreuze uitwerking van zon en regen op je fraai gelakte kozijnen, het ontnuchterend effect van mieren op een vrijpartij in het bos. Niemand echter ziet het verband. Niemand ziet dat we van doen hebben met een complot van de natuur. Een complot waarin alle elementen samenspannen met maar één doel: de mens met al zijn werken te gronde richten. De manier waarop varieert van pesterijtjes tot regelrechte moordaanslagen. Alles doet eraan mee: van virus tot vliegende tering, van kakkerlak tot krokodil, van draaikolk tot wervelstorm. Het is één grote samenzwering. Waarom zien we dat niet? Omdat een complottheorie pas aannemelijk wordt als er een motief achter schuilt. Welnu, ik ken het motief. Het verontrust me een beetje dat juist ik degene ben die het ontdekt heeft, maar ik waag het erop. Zeker nu weer een volgende generatie fundamentalisten verder bouwt aan de milieureligie, mag ik mijn ontdekking niet langer verzwijgen. Het voortbestaan van de mensheid hangt ervan af. Waarom wil de natuur ons vernietigen? Het antwoord is verbluffend in zijn eenvoud: de natuur wil ons vernietigen omdat ze jaloers is. Ziekelijk jaloers omdat wij iets kunnen wat zij niet kan. Wij kunnen dromen, ideeën ontwikkelen en daaruit iets scheppen. Het kan een tuinhuisje zijn of een kathedraal; een briefje aan oma of een roman; een krabbel op een servet of een schilderij; een kinderliedje of een symfonie. Dat kan de natuur niet. Die rotzooit maar wat aan. Hoe groeit een bos? Wie weet hoe laat het beukennootje zal vallen, waar het zal vallen, of het wortel zal schieten en of de jonge scheut niet wordt opgevreten door een konijn dat ook geen benul heeft waarom het nou net dáár rondhuppelt? Chaos te land, ter zee en in de lucht, dát is het kenmerk van de natuur. En omdat ze niet in staat is om vanuit een droom te scheppen, koestert ze een blinde haat jegens de mens. “Ja maar”, stamelen natuuraanbidders die ik deelgenoot maak van mijn ontdekking, “kijk toch eens hoe lieflijk de natuur is! Zie de schoonheid van het landschap, ruik de zoete geur van de meidoorn, hoor het betoverende gezang van de nachtegaal”. De dwazen. Met open ogen, neus en oren trappen ze in de val. De Schoonheid van de natuur is verraderlijk als een warmbloedige Natascha met syfilis. Want terwijl je in de deuropening met zo’n collaborateur naar al dat schoons staat te gapen, marcheren achter je rug de mieren in colonne je huis binnen, wringt de klimop zich tussen de voegen, verteert de schimmel de keldertrap, nestelt de boktor zich in het gebint en knaagt de muis zich door het matras. Alles, alles moet kapot. Dood moeten wij, en de herinnering aan ons moet worden weggevaagd. De natuur is onze grootste vijand. Wie weet hoeveel onheil één jaloerse mens kan aanrichten, kan de destructieve kracht van een jaloerse natuur simpel berekenen. Vroeg of laat gaat de kathedraal, het schilderij, het boek, de partituur verloren, wat we ook doen. We redden het dus niet als we willen houden wat we hebben. Om te overleven zullen we ons scheppend vermogen voor de volle honderd procent moeten blijven benutten. We zullen moeten blijven dromen. Eén geluk hebben we: op dromen heeft de natuur geen vat. |